Veel mensen vragen me waar ik de kracht vandaan haal. Hoe ik elke ochtend weer die eerste stap uit bed zet, ook als die stap tien minuten duurt en gepaard gaat met een pijn die bijna niet te verwoorden is. Het antwoord is simpel en tegelijkertijd loodzwaar: ik heb nooit anders gekend.
Mijn strijd begon niet in de operatiekamer van een orthopedisch chirurg, en ook niet op de gang van een ziekenhuis waar ik drie dagen op een brancard lag te wachten. Mijn strijd begon al voor mijn eerste ademteug.
Ik was een haastige baby. Na zeven maanden hield ik het voor gezien in de veilige cocon van mijn moeder. Maar die geboorte was geen feest; het was een slagveld. Mijn moeder vocht voor haar leven na een zware bloeding, en de dokters hadden de hoop voor mij al opgegeven. Ze concentreerden zich op haar, want ik was "toch al verloren". Maar ik bleef. Een prematuurtje van amper een kilo, vechtend in een couveuse.
Toen ik drie was, kwam de leukemie. Weer een gevecht op leven en dood. En weet je wat me erdoorheen trok? Letterlijk het bloed van mijn moeder. Een rechtstreekse transfusie die me de kracht gaf om te blijven staan.
Diezelfde kracht voelde ik jaren later weer op de schoolbanken. Toen ik daar zat met mijn eerste kruk, terwijl de leerkracht van de kookles met medelijden in haar ogen naar me keek. Ze zag de pijn, maar ze zag ook de wilskracht.
Ik schrijf dit boek, Geen Komediant, niet om medelijden te wekken. Ik schrijf het omdat ik wil laten zien dat een mens meer kan dragen dan hij denkt. Dat liefde — van mijn echtgenoot Johfra, van mijn familie — en die diepgewortelde overlevingsdrang je door de donkerste gangen van het zorgsysteem kunnen gidsen.
De weg is nog lang, en soms maakt het schip water, maar ik ben nog steeds de kapitein.